Nier

De nieren zijn twee boonvormige organen die zich beiderzijds van de wervelkolom bevinden tegenaan de rugspieren. Ze worden gedeeltelijk door de ribben bedekt en zijn op deze manier beschermd tegen trauma. Bovenop de nier ligt de bijnier. Die heeft geen functie in de urineproductie maar is een klier die hormonen produceert. De nieren produceren continu urine om overtollige mineralen, water en afvalstoffen uit het lichaam te verwijderen. Op deze manier zuiveren ze het bloed.

De nieren zijn met grote bloedvaten rechtstreeks verbonden met de grote buikslagader en de holle ader. De geproduceerde urine gaat via de nierkelken naar het nierbekken/verzamelbekken (pyelon). Vervolgens wordt de urine van hieruit via de urineleider (ureter) naar de blaas gebracht.

Meest voorkomende ziektebeelden:

1. Niercyste

Niercysten worden frequent vastgesteld bij echografische onderzoek van de nier, 50 % van de mensen ouder dan 50 jaar hebben één of meerdere niercysten. Ze bestaan uit vocht dat ingesloten zit in een vlies en zijn meestal onschuldig. Een behandeling is niet nodig tenzij er door het volume of de lokalisatie van de cyste klachten ontstaan zoals pijn, bloeding, ontsteking. Dit gebeurt dan meestal door middel van een kijkoperatie (laparoscopie).

In zeldzame, erfelijke gevallen, zijn beide nieren ingenomen door cysten en spreekt men van "polycystische nieren" , deze aandoening wordt behandeld in samenwerking met de internist-nefroloog.


 

2. Niersteen of nefrolithiasis

Nierstenen zijn een vrij frequent voorkomende en vaak familiale aandoening: door kristallisatie van mineralen en afvalstoffen in de urine (calcium, oxalaat, fosfaat, urinezuur)  ontstaat een steeds groter wordende steen.

2.1 Klachten

Stenen die in de nierkelken blijven liggen geven relatief weinig last. Wanneer ze zich verplaatsen naar het nierbekken of de urineleider, en zo de afvoer van urine verhinderen, geven ze aanleiding tot klachten. Er ontstaat een "nierkoliek" of "niercrisis". De typische klachten hierbij zijn hevige pijn in de flank of onderbuik (soms uitstralend naar de genitaliën), bewegingsdrang, valse plasdrang, misselijkheid of braken en zweten.

2.2 Behandeling

De belangrijkste preventie voor nierstenen is een goede vochtinname (minstens 2 liter per dag). Soms is medicamenteuze behandeling of dieet zinvol als preventie.
Kleine steentjes (tot 4mm) kunnen soms spontaan uitgewaterd worden over verloop van tijd. Bij grotere stenen is meestal een behandeling nodig.
Het exacte type steen kan worden bepaald na een uitgebreid bloed- en urineonderzoek en steenanalyse.

  • Niersteenvergruizer (ESWL)

Onze dienst is uitgerust met een van de krachtigste niersteenverbrijzelaars, namelijk de Lithotriptor Modulith SLX. Met behulp van hoge-intensiteit-schokgolven, die onschadelijk zijn voor de weefsels, wordt de steen kapot getrild. Er wordt met radioscopie en echografie op de steen gefocust. Zowel stenen in de nier als in de urineleider kunnen op deze manier behandeld worden. De behandeling geeft goede resultaten, afhankelijk van de ligging van de steen. Bij hardere of grotere stenen zijn soms meerdere behandelingen nodig. Deze behandeling gebeurt met plaatselijke verdoving en pijnstilling. In de dagen volgend op de verbrijzeling wordt het gevormde gruis of de steenfragmentjes uitgeplast.

Informatiebrochure ESWL

 

 

  • Ureteroscopische steenvergruizing/verwijdering (URS)

Een zeer fijn instrument met camera (ureteroscoop) wordt via de plasbuis en de blaas in de urineleider (ureter) gebracht. De steen wordt verwijderd, eventueel na een verbrijzeling met laser ter plaatse. Na het verwijderen van de steen wordt meestal een fijn silicone buisje (DJ-stent) geplaatst in de urineleider die verstopping door zwelling of gruis moet vermijden. Dit buisje moet nadien op de raadpleging onder lokale verdoving worden verwijderd.

 

  • Percutane steenvergruizing (PNL)

Dit wordt enkel gedaan bij grote nierstenen. Via de huid wordt een kanaaltje gemaakt in de rug doorheen de nier tot op de steen. Hierlangs kunnen instrumenten ingebracht worden om de steen te vergruizen en te verwijderen. Deze ingreep wordt uitgevoerd onder algemene verdoving.

Klik hier voor meer informatie over nierstenen:
 

 


 

3. Nierontsteking of pyelonefritis

Nierontsteking ontstaat meestal door het opstijgen van een infectie vanuit de blaas. Dit kan door een aanslepende blaasontsteking of door terugvloei van urine van de blaas naar de nier (vesico-ureterale reflux - aangeboren afwijking). Dit geeft aanleiding tot hoge koorts, flankpijn en ziektegevoel. Bij laattijdige behandeling kan het evolueren naar een sepsis (bloedvergiftiging). Bij aanwezigheid van stenen is het risico op infecties verhoogd. Meestal is bij een nierontsteking een hospitalisatie nodig en moeten antibiotica toegediend worden via een ader.


 

4. Vernauwing van de nierafvoer of pyelo-ureterale junctie (PUJ) stenose

De urine wordt verzameld in het nierbekken (pyelum) die ter hoogte van de pyelo-ureterale junctie overgaat naar de urineleider (ureter). Deze overgang kan vernauwd zijn door een slechte aanleg of door een bloedvat dat het dichtdrukt. Dit kan vanaf de geboorte tot op hoge leeftijd voorkomen. Er ontstaat een slechte afloop van urine met een toename van de druk in het nierbekken. Het nierbekken gaat hierdoor uitzetten. Die verhoogde druk in het nierbekken wordt rechtstreeks overgezet op de nier die hierdoor beschadigd wordt en progressief zijn functie kan verliezen. Doordat het nierbekken zich niet goed kan ledigen verhoogt het risico op ontsteking waardoor de nier extra beschadiging kan oplopen. Deze aandoening wordt meestal ontdekt naar aanleiding van pijn in de flank.

4.1 Behandeling

  • Ureteroscopische incisie van de PUJ-stenose. (niet steeds mogelijk)

Via een kijkoperatie (ureterorenoscopie) wordt via de plasbuis en de blaas een camera met instrument in de urineleider geschoven tot aan de vernauwing. Deze kan dan ingesneden worden met een elektrische stroom of laser.

  • Laparoscopische (robot-geassisteerde) pyeloplastie.

Via een kijkoperatie (laparoscopie) wordt het nauwe stuk tussen nierbekken en urineleider verwijderd. Het overtollige, uitgezette deel van het nierbekken wordt eveneens verwijderd en er wordt een nieuwe verbinding aangelegd. Dit kan uitgevoerd worden door middel van de da Vinci-robot. Hierbij staat de robot als schakel tussen de patiënt en de chirurg tijdens de kijkoperatie. De robot heeft enkele belangrijke bijkomende voordelen bovenop die van een kijkoperatie. Er wordt gebruik gemaakt van driedimensionaal zicht, mogelijkheid tot extra vergroting van het beeld, multifunctionele instrumenten die een grotere bewegingsvrijheid en manipulatie mogelijk maken, verdwijnen van fysiologische tremor en een ergonomische houding voor de chirurg. Tijdens de ingreep wordt een fijn silicone buisje (DJ-stent) geplaatst dat de verbinding open houdt tijdens de genezing van de nieuwe verbinding. Het wordt na enkele weken onder plaatselijke verdoving verwijderd op de raadpleging.


 

5. Niertumor

5.1 Klachten bij tumoren in de nier

Niertumoren geven meestal pas laattijdig klachten zoals bloedverlies en flankpijn. Gelukkig worden de meeste niertumoren "toevallig" gevonden bij een radiografisch onderzoek voor een andere reden en zijn dan soms nog relatief klein bij diagnose.

Ze kunnen zowel goedaardig als kwaadaardig zijn. De meeste niertumoren zijn echter kwaadaardig.

5.2 Behandeling van niertumor

De behandeling voor een niertumor bestaat in de eerste plaats uit het verwijderen van de tumor. Bij heel kleine tumoren kan deze weggebrand worden (RFA = radio-frequente ablatie) maar meestal is een operatie noodzakelijk. Tijdens zo’n ingreep wordt indien mogelijk enkel de tumor verwijderd. Bij te grote tumoren, of tumoren die bijvoorbeeld centraal in de nier gelegen zijn, moet de nier soms volledig verwijderd worden. Vroeger gebeurde de ingreep door middel van een pijnlijke insnede ter hoogte van de flank of de buik. Sinds 2000 worden deze ingrepen bij ons meestal uitgevoerd via laparoscopie (kijkoperatie) of met de da Vinci-robot.

Bij een tumor die beperkt blijft tot de nier volstaat het wegnemen van de tumor of de volledige nier en is geen nabehandeling noodzakelijk.
Bij een uitgezaaide tumor kan een aanvullende therapie toegediend worden onder de vorm van medicamenteuze therapie (orale therapie).