Blaas

De functie van de blaas is het opslaan van de urine tot het gepast moment aangebroken is om te plassen.  Tijdens het plassen trekt de blaas actief samen om de urine door de plasbuis naar buiten te duwen, terwijl de sluitspier (sfincter) zich ontspant.

Meest voorkomende ziektebeelden:

1. Blaasontsteking

Een blaasinfectie is een van de meest voorkomende infecties.  Via de plasbuis komen bacteriën in de blaas terecht.  Dit komt vooral voor bij vrouwen omwille van de korte plasbuis (2-4cm).  Bovendien ligt de uitgang van de plasbuis dicht bij de vagina en de anus.  Meestal worden de bacteriën tijdens het plassen weggespoeld.  In sommige gevallen ontstaat toch een infectie.  Indien een blaasinfectie bij een vrouw slechts sporadisch voorkomt is verder onderzoek niet noodzakelijk, bij recidiverende infecties kan best naar een onderliggende oorzaak worden gezocht. Heel frequent wordt dan een vernauwing van de plasbuisopening gevonden, die meestal aangeboren is en soms nog toeneemt met de menopauze. Dit kan dan met een heel kleine operatieve ingreep verholpen worden.

Bij de man komt een blaasinfectie minder vaak voor omwille van de lange plasbuis.  Blaasinfectie geeft bij een man bijna altijd aanleiding tot prostaatontsteking en soms ontsteking van de teelbal en bijbal.  Best kan bij de man steeds gezocht worden naar een onderliggende oorzaak.

De voornaamste klachten zijn : een branderig gevoel bij plassen, pijn in de onderbuik, frequent plassen, bloed bij het plassen en slecht ruikende urine.

Is er geen onderliggende oorzaak dan bestaat de behandeling enkel uit een antibioticakuur. Bij onderliggende uitlokkende oorzaak dient deze uiteraard mee behandeld te worden.

 


 

2. Blaastumor

Bij kwaadaardige blaastumoren spreken we van "oppervlakkige" en  "invasieve" blaastumoren.  Een belangrijke factor bij het ontstaan van blaastumoren is roken. De meeste kankerverwekkende stoffen worden immers door de nieren uit het bloed gefilterd en naar de blaas vervoerd, waar deze dus lange tijd in contact komen met het blaasslijmvlies.

Goedaardige blaastumoren zijn zeldzaam.

Om aan te geven hoe ver de ziekte is doorgegroeid in omliggende weefsels en zich eventueel heeft uitgezaaid in de lymfeklieren en/-of elders in het lichaam, wordt een indeling in stadia gebruikt. Beperkt de tumor zich tot het slijmvlies in de blaas dan spreekt men van een vroeger stadium dan als de tumor is doorgegroeid in diepere lagen van de blaaswand. Bovendien wordt een tumor ook ingedeeld naargelang de mate van kwaadaardigheid. Daarvoor wordt een gradering van G1 tot G3 gebruikt. Hoe hoger de gradering, des de kwaadaardiger de tumor, des te sneller de groei. Stadia en gradering zijn van belang voor het bepalen van de behandeling.


 

 

 

 

 

Oppervlakkige blaastumoren of blaaspoliepen

Oppervlakkige blaastumoren ("blaaspoliepen") beperken zich tot het slijmvlies van de blaas (oppervlakkige deel van de blaaswand).  Ze zien eruit als poliepjes of  bloemkooltjes, soms door een steeltje verbonden met de blaaswand.  De eerste klacht is meestal "bloed in de urine, maar zonder pijn".  Hoewel het bloeden meestal spontaan stopt is het een belangrijk alarmteken dat verder onderzoek vereist, zelfs als het slechts één maal voorkomt.  Zolang een blaastumor oppervlakkig is, kan deze makkelijk verwijderd worden door middel van een kijkoperatie in de blaas via de plasbuis (TURB of transurethrale resectie van blaastumor).  Nadien kan het noodzakelijk zijn om blaasspoelingen uit te voeren om de ontwikkeling van nieuwe poliepen te voorkomen, afhankelijk van het type blaaspoliep.  Omdat blaaspoliepen bij veel patiënten kunnen terugkomen, is een stipte controle noodzakelijk.

Invasieve blaastumor

Indien de blaastumor door het oppervlakkige deel van de blaaswand is gegroeid en tot in de spier van de blaas reikt, is een operatie waarbij de blaas wordt verwijderd noodzakelijk (bij de man wordt de prostaat samen met de blaas weggenomen, bij de vrouw ook de baarmoeder).

Soms wordt een vervangblaas gemaakt met darm en verbonden aan de plasbuis. De patiënt kan dan via de plasbuis plassen (Hautmann-pouch of Studer-pouch).  Ofwel worden de urineleiders via een stukje dundarm verbonden met de buikwand waar de urine wegvloeit via een stoma (Bricker-operatie). De patiënt heeft dan "een zakje" nodig, waarin de urine wordt opgevangen. Er bestaat tenslotte ook nog de mogelijkheid om met darmen een inwendig reservoir te construeren, dat via een fijn kanaaltje met de huid wordt verbonden. Langs dit kanaaltje moet de patiënt enkele keren per dag het urinereservoir met een sonde leegmaken (continente stoma)(Indiana-pouch).

Afhankelijk van geval tot geval, gebeuren deze ingrepen met open chirurgie of met de 'da Vinci'-robot

Indien een operatie niet mogelijk is omwille van de algemene toestand van de patiënt of omwille van uitzaaiingen, is eventueel radiotherapie of chemotherapie mogelijk. De kans op definitieve genezing is dan beduidend minder groot dan met een operatie.

Omdat de binnenbekleding (slijmvlies) van de blaas dezelfde is als deze van de nier en de urineleider is bij de opvolging van blaastumoren een  jaarlijkse controle van nieren en urineleiders aan te raden.

 


 

3. Blaassteen

Een blaassteen wordt gevormd wanneer de blaas bij het plassen niet voldoende wordt geledigd.  Zoals in de nier gebeurt een kristallisatie van mineralen in de urine. Indien de steen niet te groot is kan hij onder algemene verdoving via de plasbuis worden verwijderd al dan niet na verbrijzeling met laser. Bij grote stenen kan het noodzakelijk zijn om een insnede in de onderbuik te maken en de blaas te openen om de steen te verwijderen.

Er moet steeds op zoek gegaan worden naar de oorzaak van de steenvorming en deze moet mee behandeld worden, anders komt de steen snel weer terug. Heel dikwijls is de onderliggende oorzaak een vergrote prostaat.

Een blaassteen kan de oorzaak zijn van blaasinfecties.

 


 

4. Blaaspijnsyndroom of interstitiële cystitis

Het "pijnlijk blaassyndroom".  Deze eerder zeldzame aandoening, waarvan de oorzaak niet gekend is, gaat gepaard met klachten van blaasontsteking : vaak plassen, pijn in de onderbuik (vooral bij volle blaas) en soms bloed in de urine (na lang ophouden van de urine).  Er is echter geen sprake van aanwezigheid van bacteriën.

Het komt veel meer voor bij vrouwen dan bij mannen en kan op elke leeftijd ontstaan, maar frequenter bij jongere vrouwen.

Het is een moeilijk te behandelen aandoening die meestal behandeld wordt met orale medicatie, blaasspoelingen en eventueel met een heelkundige ingreep: kijkoperatie onder verdoving, zoals een blaasoprekking of laserbehandeling.

 


 

5. Blaasverzakking of prolaps

Bij een verzwakking van de ondersteunende ligamenten en bekkenbodemspieren kan een verzakking van de blaas optreden waarbij de blaas gaat uitpuilen in de vagina. Bij een beperkte verzakking blijft de uitpuilende blaas in de vagina. Bij verdere verzakking kan de blaas uitpuilen tot voorbij de vulva. Als gevolg hiervan kan er een zwaartegevoel of druk zijn ter hoogte van de vagina of een hinderende uitpuilende blaas. Maar ook de lediging van de blaas is dikwijls onvolledig. De uitgang van de blaas komt immers boven het laagste punt te liggen. Dit heeft het ontstaan van infecties tot gevolg.
Bij een verzakking van de endeldarm krijgen we een gelijkaardig fenomeen maar nu is het de darm die uitpuilt in of tot buiten de vagina via de achterste wand van de vagina. Hierdoor wordt het moeilijker om stoelgang te maken met constipatie tot gevolg. Constipatie is echter dikwijls ook mede oorzaak van verzakking. Door te persen worden de organen naar beneden geduwd.
Ook de baarmoeder kan deel uit maken van een zakking. De vaginakoepel is ook gevoelig voor verzakking na een hysterectomie (wegname baarmoeder).

Behandeling :

Cystopexie en rectopexie

Bij deze ingreep gaan we de blaas en endeldarm opnaaien.
Er kan een herstel via vaginale weg uitgevoerd worden, met gebruik van de eigen weefsels. De belasting door deze ingreep is beperkt.  Een korte hospitalisatie en snel hervatting van lichte activiteit is mogelijk. Via vaginale weg kan in sommige gevallen ook een netje geplaatst worden.

 

Laparoscopische colpopromontofixatie

Om een steviger herstel en een hogere fixatie te bekomen kan een netje via de buik worden geplaatst. Via een kijkoperatie (laparoscopie, meestal met de da Vinci-robot) wordt een netje aan de blaas en/of de darm en de baarmoeder (of vaginakoepel) gefixeerd. Dit wordt dan aan een stevig ligament op de onderzijde van de rug vastgemaakt. De organen worden zo terug op hun plaats gebracht.


6. De overactieve bekkenbodem

De bekkenbodem is een spiergroep die als een hangmat onder in de buik gelegen is. De bekkenbodem ondersteunt de organen van de onderbuik: de blaas met de plasbuis, de prostaat bij de man, de baarmoeder met de vagina bij de vrouw en de endeldarm met de aars. Deze spieren zorgen voor het ophouden van urine en stoelgang en zijn ook belangrijk bij seksuele betrekkingen.

Problemen met de bekkenbodemspieren ontstaan als ze te zwak of te gespannen zijn. Bij de vrouw kunnen te zwakke spieren een verzakking van de blaas, baarmoeder of darm veroorzaken.

Wanneer de bekkenbodemspieren echter té gespannen, dus overactief zijn, kunnen bij de man en bij de vrouw volgende klachten optreden:
-   voortdurend drukkend of pijnlijk gevoel in de onderbuik, de lage rug, de dam, de blaasstreek
-   moeilijk kunnen plassen, onderbroken straal, nadruppelen
-   voortdurende (valse) plasdrang
-   terugkerende ontstekingen van blaas of prostaat
-   pijn bij gemeenschap bij de vrouw en erectiestoornissen bij de man
-   obstipatie en aambeien

Wat kunnen de oorzaken van deze klachten nu zijn?

Pijn:
Door langdurig te hoge spierspanning wordt de doorbloeding belemmerd, waardoor pijnlijke verzuring kan ontstaan in de spieren van de bekkenbodem zelf maar ook in de andere delen van het onderlichaam. Ook kan de pijn ontstaan doordat de gespannen bekkenbodemspieren aan de aanhechtingen op het bot trekken. Op en rond deze aanhechtingsplaatsen ontstaat zo ook pijn. Pijn leidt vaak tot afweerspanning waardoor nog meer spanning en daardoor mogelijk nog meer pijn ontstaat. Het is dus belangrijk deze vicieuze pijncirkel te doorbreken.

Problemen bij het plassen:
Wanneer de bekkenbodemspieren langdurig erg gespannen zijn, worden ze moe en kunnen ze niet meer goed reageren wanneer de blaas zich samentrekt. Door de spanning wordt de bekkenbodem ook omhoog getrokken en deze drukt dan tegen de onderkant van de blaas. Juist in dit gedeelte van de blaas bevinden zich veel zenuwen zodat de blaas juist op dit punt uiterst prikkelbaar is. Als reactie op de druk die de bekkenbodem uitoefent, gaat de blaas zich samentrekken waardoor men steeds weer het gevoel krijgt te moeten plassen. Hierdoor gaan mensen vaak naar het toilet maar plassen steeds maar kleine beetjes. Ook kan het zijn dat men door de hoge spierspanning niet meer weet hoe men moet ontspannen waardoor men ook niet meer goed kan plassen.

Problemen bij gemeenschap:
Wanneer mensen seksueel opgewonden raken, verhoogt de doorbloeding van de geslachtsorganen. Door deze toegenomen doorbloeding ontstaat de erectie bij mannen en het zachter, sponsachtiger worden van de weefsels rondom de vagina bij vrouwen. Door de te hoge spierspanning afgenomen doorbloeding krijgen de seksuele reflexen geen kans omdat deze juist afhankelijk zijn van een goede doorbloeding.

Bij de man zal een minder goede erectie optreden en bij de vrouw zal het gebied rondom de vagina stug en droog blijven waardoor in beide gevallen de seksualiteit verstoord is. Bij de vrouw lopen de spieren van de bekkenbodem vlak langs de vagina waardoor ze de vagina dicht kunnen drukken. Wanneer men dan toch probeert tot gemeenschap te komen ontstaat er veel wrijving en daardoor veel pijn.